Oefening ‘Kleine Oorlog’

Altijd weer die Duitsers…

In december 1970 vond er een grote internationale NAVO-oefening plaats waaraan ook onze compagnie heeft deelgenomen. De opzet was om uit handen van de ‘vijand’ te blijven en in tegenstelling tot actieve oorlogvoering waren er afspraken gemaakt met de tegenstander. De groepen moesten zich ’s avonds en ’s nachts verplaatsen en zich overdag schuilhouden. De afstanden moesten te voet worden afgelegd, zo’n veertig kilometer per dag.

Kort na afloop van deze oefening heb ik mijn persoonlijke ervaringen op papier gezet. Iedereen heeft zo zijn eigen belevingen, onderstaand mijn spannende avontuur. De tegenstander bestond uit een legertje Duitse militairen…

Dag 1

Wij werden die woensdagmorgen per drietonner naar de plaats van bestemming gebracht. Het was voor de tijd van het jaar redelijk weer, maar erg koud. Omstreeks twee uur in de middag werden we afgezet in een licht beboste streek, waardoor met veel kronkels een smal water liep. Onze groep bestond uit zes personen, waaronder een groepscommandant.

Een smalle houten brug lag over de stroomloze plas die we al snel ‘De Oste’ noemden. Onze commandant hield zich bezig met het bestuderen van het kaartfragment, met daarop een uitgebreid assortiment aan kleine dorpjes. Eén van die gehuchten zou ons eerste einddoel worden, maar aangezien de bijgeleverde instructie-envelop niet eerder dan bij zonsondergang geopend mocht worden, hadden we op dat moment niet erg veel aan de kaart.

Twee man, Paul en ik, werden uitgezet aan de ene kant van de brug, terwijl Ton en Johan de andere zijde scherp in de gaten moesten houden. Piet zat met de commandant verscholen in struikgewas. De eerste bediende de radio. De oefening was nog maar kort aan de gang en er heerste een lacherige sfeer. Ondanks de waarschuwing dat surveillerende helicopters konden overvliegen om ons te lokaliseren, waren we nog niet écht onder de indruk. De verveling sloeg al snel toe en we waren blij met elke afwisseling. Het opwarmen van een rantsoenmaaltijd boven een kaarsvlam was zo’n beetje het hoogtepunt van die middag.

Na de maaltijd – het was inmiddels donker en een stuk kouder geworden – werd de envelop geopend en de route uitgestippeld. Het eerste einddoel was het buurtschap Klein Heins. Er werden kilometers afgelegd zonder dat er een woord werd gesproken. Na uren bereikten we een dorpje dat niet voorzien was van straatverlichting. Onze aandacht ging uit naar een flauw verlicht reclamebord dat was opgehangen bij een boerderij dat kennelijk in het zomerseizoen ook dienst deed als café. Maar er was verder geen activiteit te bespeuren. Na een tijdje op de deur gebeukt te hebben deed de bewoner eindelijk open. Gastvrij was hij wel, want we werden voorzien van een glaasje appelsap en konden in alle rust een beetje op verhaal komen. Volgens de kaart zaten we nog steeds op de goede weg, en uiteindelijk werd de tocht vervolgd in nachtelijke duisternis.

Korte tijd later kwamen we aan de rand van een smal bos, waardoor precies in het midden een verharde weg liep. We hadden nog niet eerder met de vijand te maken gehad en het leek ons ook niet waarschijnlijk dat die daar in de buurt te vinden zou zijn. Toch werd er enig overleg gepleegd. De verharde weg vervolgen zou ons aanzienlijk veel tijd en kilometers besparen. Als we er voor kozen om aan de buitenrand van het bos te lopen zou het wel eens een late nacht kunnen worden. Daar had niemand zin in, dus we kozen voor de middenweg. De groepscommandant had er moeite mee ons in het gareel te houden, want er werd volop gepraat en gelachen, alsof er van ‘kleine oorlog’ helemaal geen sprake was. Uit voorzorg liep Piet zo’n honderd meter voor ons uit, en af en toe moesten we de berm induiken omdat er een auto passeerde.

Plotseling kwam Piet naar ons toe gerend. “Het stikt hier van de Duitsers”, zei hij, en wees naar de bosrand die door het maanlicht tussen de bomen duidelijk zichtbaar was. En inderdaad, zowel links als rechts bevonden zich Duitse militairen, enigszins verdekt opgesteld en klaar voor de aanval. Onze roekeloosheid loodste ons door de eerste dag van de oefening, want we liepen dwars tussen de vijandelijke linies door. Uiteraard werden we vanaf dat moment een stuk voorzichtiger.

En verder ging onze martelende voettocht, tot we omstreeks twee uur in de nacht het plaatsje Klein Heins bereikten. Eigenlijk waren we het gehucht al gepasseerd. Het was niet meer dan een klein straatje met wat boerderijen. Een oplettende groepsgenoot keek toevallig over zijn schouder en zag aan het plaatsnaam-bordje dat we alweer bezig waren het dorp te verlaten. In Klein Heins zouden we een contactpersoon ontmoeten die voor slaapgelegenheid had gezorgd. De man kwam ons op de terugweg al tegemoet lopen, en na rapportage over hetgeen we die dag hadden meegemaakt liepen wij achter hem aan, richting slaapplaats: de hooizolder van een koeienstal die tegen een boerderij was aangebouwd. Het was hartje winter, dus de koeien sliepen binnen. Het zullen er ongeveer vijftig geweest zijn, en de geur die werd verspreid deed je snakken naar de buitenlucht. Een klein houten trapje leidde naar de hooizolder. Wij naar boven, ik als laatste. Toen ik de bovenste trede van het trapje had bereikt stapte ik met mijn linkerbeen door de halfverrotte vloer van de zolder. Groot tumult onder de koeien en hilariteit bij mijn ploeggenoten was het gevolg. Maar niet lang daarna keerde de rust weer terug…

Dag 2

De volgende ochtend lagen we nog wat na te doezelen in onze slaapzakken, toen de boer plotseling zijn hoofd boven het trapgat uitstak en vroeg of we zin hadden in een stevig ontbijt. Dat lokte meer dan de harde crackers uit ons noodrantsoen, dus we namen dankbaar het aanbod aan. We wasten ons in ijskoud pompwater en betraden de enorme woonkeuken. De boerin had ondertussen al een uitgebreide maaltijd op de tafel neergezet en het geurde er naar verse koffie.

Ze werd begroet met een schuchter ‘Guten Morgen’, want het was nog te vroeg onze gêne te overwinnen om de mensen meteen al in hun landstaal aan te spreken. Dat kwam na het ontbijt, toen de boerin zelf een gesprek met ons aanknoopte en wij daarop in ons ‘beste Duits’ reageerden. Het ijs was gebroken…

Het was al laat in de morgen, toen de bevoorradingstruck het erf kwam oprijden. De chauffeur had onderweg problemen gehad met zijn wagen, en later zou blijken dat hij door deze vertraging de vijand op ons dak zou sturen.

Hij bracht ons aardappelen en wortelen, zodat we die middag zelf voor onze maaltijd konden zorgen. Het leek ons verstandig bij de boerin enkele schilmesjes te lenen, maar die bood meteen aan om voor ons te koken. Ook dit aanbod werd niet geweigerd, maar aangezien we onze tocht pas zouden vervolgen na zonsondergang, restte ons niets anders om weer terug te gaan naar de hooizolder om ons schuil te houden. Maar de boer had een beter idee! Onder de boerderij bevond zich een grote kelder die hij had verbouwd tot recreatieruimte, volledig ingericht met een voetbalspel en tafeltennisuitrusting. In Klein Heins valt niet veel te beleven, en bovendien had het echtpaar een zoon van 16 (Heinrich) en een dochter (Lotte) van 12 jaar. We maakten daar later kennis mee, toen de kinderen uit school kwamen. Én met Martha, een bejaarde hulp in de huishouding. Deze kennismaking verliep stroef. Kennelijk dacht Martha, die twee oorlogen had meegemaakt, dat het tegen de wet was om buitenlandse militairen in huis te nemen. Ze hield zich wat afzijdig en sprak alleen tegen de boer en zijn vrouw.

* * * * * * * * * * * * * * *

De voorgeschotelde maaltijd smaakte verrukkelijk, en bestond uit aspergesoep en aardappelpuree. We vroegen ons wel af wat er met de wortelen was gebeurd die ons van rijkswege waren verstrekt. Hier en daar dreef er een schilfertje door de soep, dus aangenomen mag worden dat de rest aan het vee is opgevoerd.

Toen het tijd was om te vertrekken werd overeengekomen dat de boer eerst de omgeving zou verkennen om te kijken of alles veilig was. Niet lang daarna kwam hij weer terug met de boodschap dat er wel veertig Duitse militairen in de buurt waren. We konden ons dus beter nog maar even schuilhouden. Intussen zou hij gaan informeren wat de Bundeswehr in de buurt van Klein Heins te zoeken had. Het leek voor ons een hopeloze zaak. Een van de afspraken in deze oefening was, dat de tegenstander op bepaalde uren van de dag geen actie mocht ondernemen om de Nederlandse militairen op te sporen. Deze tijd was echter verstreken, toen onze – door autopech geplaagde – voedselwagen het vijandelijk gebied passeerde. Het spoor was dus makkelijk te volgen, en zorgde uiteindelijk voor een grote overmacht in het landelijke dorpje. We zaten als ratten in de val…

Martha had het erg moeilijk met de ontstane situatie, en klaagde jammerlijk over ‘krieg’, en dat haar baas last zou krijgen met de politie als hij ons zou helpen. De boer dacht daar anders over en zou er alles aan doen ons uit handen van de Duitsers te houden. We moesten weer terug naar de recreatiekelder, maar mochten geen licht of geluid maken. Hij had een geniaal plan. Hij was in het bezit van een grote Mercedes en riep de hulp van de buurman in die precies zo’n zelfde auto had. Via de kofferbak van beide voertuigen zouden wij uit het bezette gebied worden gesmokkeld. De wagens stonden ondertussen geparkeerd in de koeienschuur. Terwijl wij bezig waren onze bepakking in de kofferbak te laden verscheen er plots een felle lichtbundel door het raam van de staldeur. Wij stonden volop in het spotlicht, en áls er al enige twijfel was, nu waren de Duitsers zéker van onze aanwezigheid.

We stonden met vijf man achter de auto’s, en Piet zat in de bagageruimte om onze spullen ordelijk neer te leggen. In een reflexbeweging lieten we ons op de grond vallen en Johan duwde daarbij de laadklep dicht. Het licht bleef vanuit het kleine raampje binnenvallen, en er werd geroepen dat we tevoorschijn moesten komen. Toen na vijf minuten het licht verdween vluchtten we de keuken in. Daar ontdekten we dat we Piet waren vergeten, dus Paul werd teruggestuurd om de kofferruimte te openen en Piet te bevrijden.

We gingen terug naar de woonkamer en vertelden de boer dat het zinloos was om met dit kat-en-muis spelletje door te gaan. Misschien konden we ons beter gewonnen geven. Maar de boer en de buurman hadden ondertussen schik gekregen in het avontuur en werkten alweer aan een nieuw plan om de vijand af te leiden. Wij voelden ons schuldig, en Martha scheen een hartverlamming nabij.

* * * * * * * * * * * * * * *

Plotseling stond de boer op en zei ons dat we de vijand maar beter hun zin konden geven, want de kans dat ze zich terug zouden trekken was uitgesloten. Hij stelde voor het oorspronkelijke plan uit te voeren – ons met auto’s buiten vijandelijk gebied te brengen – maar nu als afleidingsmanoeuvre.
Wij zouden namelijk geen deel uitmaken van het vluchtplan en ons verder schuilhouden op de boerderij. De bedoeling was om met twee auto’s zonder passagiers de Duitsers te misleiden. De kans van slagen was gering, maar we moesten het er toch maar op wagen. De boer had zelf ook bij de Bundeswehr gediend en was er zichtbaar trots op dat hij nog steeds beschikte over strategisch inzicht. Dat zou ook blijken!

We moesten onze spullen weer uit de kofferbak halen en terug naar de kelder. Wéér in absolute stilte en zonder licht. Vanuit die donkere ruimte was het nóg spannender! We konden via de kleine raampjes een deel van het erf overzien en overal zat de vijand. Het duurde nog vrij lang voordat er iets gebeurde.

Gevoelsmatig waren we een uur verder toen de Duitsers plotseling waren verdwenen en de boerin ons kwam vertellen dat de kust veilig was. Maar wat was er nou precies gebeurd?

Toen wij eenmaal in de kelder zaten namen de boeren na verloop van tijd plaats in hun auto’s die nog in de afgesloten schuur stonden geparkeerd. Martha, inmiddels bekomen van haar angst, hield vanaf de bovenverdieping het erf in de gaten. De Duitsers waren zeker van hun overwinning – die Nederlanders konden toch niet ontkomen – en namen een afwachtende houding aan. Ze keken wel even op toen zoon Heinrich naar buiten kwam, maar schonken er verder weinig aandacht aan. Heinrich liep richting schuur… en gooide vervolgens zo vlug als hij kon beide poorten open. Dat was het sein voor de twee boeren hun auto’s te starten en met snelle vaart weg te rijden. Paniek bij de vijand, want met deze actie hadden ze geen rekening gehouden. Vrijwel onmiddellijk werd de achtervolging ingezet. In de haast was er geen tijd voor overleg, waardoor er niemand op de boerderij achterbleef en wij zonder problemen onze tocht konden voortzetten.

Dag 3

Het was een koude nacht, maar de temperatuur had geen vat op ons. Het adrenalinepeil lag hoog door het zojuist beleefde avontuur. De vijand die ons op het spoor was gekomen door een handige list, maakte waarschijnlijk nog steeds jacht op de twee auto’s die hen ongetwijfeld met hoge snelheid op een dwaalspoor bracht. Wij hadden er op dat moment alles voor over om de teleurstelling bij de tegenpartij mee te maken als de auto’s uiteindelijk tot stilstand werden gebracht en hun kofferbak leeg bleek te zijn…

Nadat we uren hadden gelopen gaf de groepscommandant aan dat onze bestemming was bereikt: een praktisch onbegaanbaar dennenbos. De bomen stonden dicht op elkaar en ontnamen ons het zicht op een tòch al donkere wolkenhemel. Op de tast zochten we een plekje voor ons bivak. We rolden onze slaapzakken uit met de bedoeling daar meteen in te stappen, maar de commandant gaf ons het dringend advies – het kan ook een bevel zijn geweest – ons te ontkleden en het gevechtspak op te vouwen om als hoofdkussen te gebruiken. De omringende bomen gaven enige beschutting tegen de kou, maar met kippenvel op de huid ritsten we onze slaapzakken dicht tot aan de kin. Het werd snel behaaglijk en even later sliepen we als een roos.

* * * * * * * * * * * * * * *

Het was nog steeds donker toen ik wakker werd omdat mijn blaas begon op te spelen. Ik kon proberen verder te slapen of even een plasje gaan doen. Ik besloot voor het laatste, want mijn nachtrust was toch al verstoord. Behoedzaam ging de ritssluiting van de slaapzak naar beneden, terwijl de ijzige koude als een deken op me neerdaalde. Op blote voeten die geteisterd werden door prikkende dennennaalden, baande ik mij een weg naar een verder gelegen boom en deed mijn behoefte. Het luchtte enorm op! Snel weer terug, even met de vlakke hand over de voetzolen om het zand, de naalden en het mos te verwijderen en lekker doorslapen in de gelukkig nog warme slaapzak.

Rond elf uur zaten we gezamenlijk aan het ontbijt: harde crackers en slappe thee. Het gevechtspak was klam en voelde niet prettig aan. Voorlopig viel er niet veel te ondernemen want pas bij zonsondergang zouden we het kamp opbreken en verder gaan. En natuurlijk werden er weer wachtposten uitgezet aan de bosrand, iets wat volkomen overbodig was, want het was de vijand niet toegestaan om overdag jacht op ons te maken. Afijn, we speelden het spel gewoon mee.

Later die middag werd het tijd om te gaan eten. Legergroene blikken met stamppot; smaakloos maar voedzaam! Dat opwarmen ging boven een blikje, half gevuld met een soort aanmaakvet. Door er een lucifer bij te houden ontstond een flauwe vlam waarop het voedsel verhit moest worden. Om het op de juiste temperatuur te krijgen moest je minstens anderhalf uur je blik boven de vlam houden en de inhoud regelmatig omroeren, maar daar kon niemand het geduld voor opbrengen. De meesten begonnen dus na een half uur de lauwe massa al naar binnen te werken.
Niet lang daarna – de avond was inmiddels gevallen – lieten we het dennenbos achter ons om het volgende traject af te leggen.

De tocht verliep zwijgzaam. Af en toe passeerden we een gehucht maar het viel nauwelijks op. Straatverlichting was er niet. Zo af en toe zag je het verlicht venster van een boerderij, en voor de rest was het aardedonker. Gelukkig was dit de voorlaatste dag van de oefening, want het verlangen naar de kazerne werd steeds groter. De kleine oorlog had ons wat spannende momenten opgeleverd, maar na vandaag sloeg de verveling en vooral de vermoeidheid toe.

* * * * * * * * * * * * * * *

We waren ongeveer halverwege toen vanuit de verte een spoorwegovergang zichtbaar werd. Tijd voor overleg: via een omweg door de bossen, of gewoon doorlopen naar de spoorweg. Dat laatste was niet zonder risico, want het was open terrein dat ter hoogte van de overgang door enkele lampen werd verlicht. Als er Duitsers in de buurt waren zou men ons al van verre zien aankomen. We besloten de kans te wagen en maakten daarmee een kapitale inschattingsfout…

Op slechts enkele meters van de spoorweg brak plotseling de hel los! Vanachter bijna elke struik in de omgeving dook een Duitse militair op; een overmacht waartegen wij niet bestand waren. Met veel geschreeuw en handgebaar probeerde men ons te omsingelen, maar ons kleine groepje schoot alle kanten op. Het was een ongelijke strijd die wij uiteindelijk verloren. Korte tijd later arriveerden enkele jeeps en werden we afgevoerd als krijgsgevangenen. We vergaten dat het allemaal maar spel was. Hevig geschrokken en toch ook wel zenuwachtig over de afloop. Ook bij de Duitsers was het gevoel voor realiteit ver te zoeken. Ze verkeerden in een overwinningsroes en bleven maar tegen ons tekeer gaan, ook al zaten we als makke schapen in hun voertuig…

We werden naar een zaaltje gebracht waar zich ook andere krijgsgevangenen bevonden. Allemaal rechtop geknield, keurig geformeerd als een klasje. Voorin stond een Duitse militair, wapen aan de schouder, die er redelijk in slaagde de orde te handhaven. Zodra iemand het waagde iets te zeggen snauwde hij “Maul halten!”, hoewel hij niet kon voorkomen dat hij door ons af en toe voor Schweinhund of zelfs Nazi werd uitgemaakt. Achter ons stond nog een tweetal Duitsers opgesteld. De geknielde houding voelde aan als een foltering. Het was pijnlijk en vermoeiend. Als je op je hakken ging zitten kon je van de achterhoede een trap tegen je schoenzolen verwachten. “Aufrecht sitzen”. Elk commando klonk als een zweepslag maar werd vaak met een vloek of scheldwoord beantwoord. Het leek alsof we uren in dat lokaal hebben doorgebracht, maar het zal ongetwijfeld korter zijn geweest. Op een gegeven moment kwam er schot in de zaak toen steeds één gevangene uit de kamer werd gevoerd om zich te laten onderwerpen aan een verhoor.

Ook ik kwam uiteindelijk aan de beurt. Ik verwachtte eigenlijk een scène aan te treffen die je ook in oorlogsfilms tegenkomt. Intimidatie en fel licht op je ogen in een poging je weerstand te breken. Maar dat viel reuze mee. De sfeer was zelfs gemoedelijk. Er werd wel herhaaldelijk geïnformeerd naar de posititie van die andere Holländer – waarop ik sowieso geen antwoord kon geven – en tot welk onderdeel ik behoorde. Ik antwoordde steeds met naam, rang en registratienummer, precies zoals het me geleerd was. Het verhoor duurde zo’n tien minuten, waarna ik naar een andere ruimte werd gebracht en herenigd werd met mijn lotgenoten. Er waren ook Duitsers aanwezig, maar die waren niet in actieve dienst, zodat er al snel een vriendschappelijke band ontstond tussen beide kampen en er allerlei verhalen werden uitgewisseld over de Kleine Oorlog, die voor ons voorbij was. Laat in de nacht werd de slaapzak weer opgezocht. De Bundeswehr zou ons de volgende dag afleveren bij de laatste bestemming…

Dag 4

Dat was een boerderij, gelegen op een kleine veertig kilometer afstand van de kazerne. We werden er hartelijk begroet en kregen meteen een stevig ontbijt voorgeschoteld. De sfeer onder de jongens was goed. Er moest nog wel een flinke wandeling worden afgelegd maar dat kon nu bij daglicht, en van de vijand hadden we niets meer te vrezen. We raakten in gesprek met de boer en zijn vrouw en vertelden uitgebreid over de oefening. Hoe we de Duitsers te slim af waren geweest tijdens de eerste nacht in Klein Heins maar uiteindelijk toch werden opgepakt.

Toen het moment was gekomen om afscheid te nemen bood de boer aan ons per auto naar Seedorf te brengen. Dit was tegen de regels, dat wisten we, maar het aanbod klonk zó aanlokkelijk dat we er dankbaar gebruik van maakten. Hierdoor konden we nog wat langer op de boerderij verblijven, uitrusten, en kregen we ook nog een middagmaal aangeboden. Niet lang daarna werden de laatste kilometers, richting kazerne, per auto afgelegd. Maar omdat we daar te vroeg arriveerden moesten we ons nog een tijdje schuilhouden net buiten de legerplaats, opdat ons bedrog niet ontdekt zou worden. Toen we in de vroege avond op onze kamers arriveerden werd de bepakking snel afgeworpen en genoten we van een heerlijke douche, waarbij we de restanten van de Kleine Oorlog in het afvoerputje zagen verdwijnen.

Van de barbedienden was ik de eerste die weer ‘thuis’ was, dus na mijn opfrisbeurt heb ik de bar opengesteld waar druppelsgewijs de anderen arriveerden. Elk met hun eigen verhaal…

Ons groepje is datzelfde weekend opnieuw afgereisd naar Klein Heins, met kerstcadeautjes voor de boer en zijn vrouw, de buurman, Heinrich, Lotte en de bejaarde Martha. We wilden hen persoonlijk bedanken voor voedsel, onderdak én hun vastberaden hulp bij onze ontsnapping aan ‘de vijand’.

naar top↑

retour-hoofdstuk

Advertenties