De diensttijd van Heinz Verstappen (2)

Naar Seedorf…

En dat einde kwam precies op mijn 20e verjaardag, 25 september 1964. Ik werd naar Seedorf in Duitsland gedirigeerd met een militaire trein. Diep in de nacht kwam ik met nog wat anderen aan op station Godenstedt vanwaar we nog een behoorlijk eind moesten lopen naar de kazerne.

Geen idee waar we waren in het donker. Seedorf ligt op de lijn Bremen-Hamburg. Het lag op een uur rijden, met de auto, van de Lünenburger Heide waar vele oefeningen plaatsvonden. Het was een zeer uitgestrekt gebied waar je gemakkelijk kon verdwalen.
Om 06.00 uur moesten we alweer opstaan en na het ontbijt bij allerhande instanties langs. Ik kreeg onder andere een klaverblad die op mijn mouw moest naaien. Het klaverblad was het symbool van de Vierde Divisie. Ik was dus als hospik ingedeeld bij de Stafcompagnie van het 41 Geniebataljon.

De dagen die erop volgden leerde ik alles een beetje kennen en maakte ook nog een ontgroening mee door de toenmalige ouwe stomp. Na deze ontgroening werd je helemaal opgenomen in de groep. Wat ik in Seedorf mooi vond waren de hechte vriendschappen en de saamhorigheid. Je was immers op elkaar aangewezen om er iets van te maken in het jaar dat je er moest dienen. Waar ik me over verbaasde was het feit dat we in Seedorf niet op strozakken sliepen maar op echte matrassen met witte lakens die eens per week verschoond werden…

41 Genie bataljon A. compagnie

afb-hv09Na een paar dagen arriveerde er de nieuwe A. compagnie van het 41ste Genie Bataljon. Allemaal jongens van lichting 64/2 net als ik. Na een paar dagen moest ik me melden bij de A. compagnie en werd als gewondenverzorger ingedeeld in deze compagnie – nog niet wetende dat ik er een heerlijke tijd zou hebben met vriendschap, plezier, saamhorigheid, lol etc. Hun taken waren het bouwen van Bailey bruggen, pontonplaat bruggen, mijnen leggen en opruimen etc. Ik kwam eerst op een kamer terecht van soldaten die in aanmerking kwamen om korporaal te worden maar een tijdje later werd ik overgeplaatst naar een andere kamer en een ander peloton. Volgens mij het tweede.

Dit peloton bestond uit pontonniers, mineurs, sappeurs, chauffeurs en ik als hospik. Onze commandant was een dienstplichtige vaandrig (uit Den Haag) bijgestaan door een beroeps sergeant (woonde in Zeven). Verder bestond het pelotonskader uit twee dienstplichtige sergeanten en later kwam hier nog een dienstplichtige korporaal 1e klasse bij. De sergeanten in de A. compagnie droegen geen, zoals gebruikelijk, baretten maar een onderofficiers pet. Scheen een traditie te zijn. Die moesten ze wel zelf kopen gezien het niet bij hun standaarduitrusting hoorde. Een van de sergeanten kwam net als ik uit de provincie Groningen. Piet Postma, ik zal hem nooit meer vergeten. Een hele sympathieke kerel.

In juli 2015 heb ik nog op zijn uitnodiging en zeer geslaagde ontmoeting gehad met Piet op het Landgoed Ekenstein in Appingedam. Vijftig jaar na ons afzwaaien zagen we elkaar weer. Piet woont in Brabant en komt geregeld naar de provincie Groningen om zijn familie te bezoeken. In 2015 bracht hij weer een bezoek aan de provincie en ik kreeg via een mail een uitnodiging die ik van harte aannam. Het was prachtig weer en hebben op het terras heerlijk koffie gedronken en een lunch genuttigd.
Gezien we allebei uit dienst waren konden we vrijuit praten en kwam ik heel wat te weten over de toenmalige beroepskader. In verband met de privacy ga ik hier natuurlijk niet verder op in. Ook natuurlijk veel gelachen en prachtige herinneringen opgehaald waarbij je ook af toe wel een brok in de keel kreeg. Piet had een hele lijst met hints op papier uitgetypt waar hij het met mij over wilde hebben. Prachtig. Al die momenten die wij hadden meegemaakt gezien vanuit mijn kant als soldaat en vanuit zijn kant als sergeant. Wat een prachtige dag…

afb-hv10

De indeling van onze compagnie was in die tijd: Een stafpeloton met de compagniescommandant, een sergeant-majoor (beide beroeps), administrateur, motor ordonnans, een hospikchauffeur met een jeep met brancards etc.
Dan waren er nog 3 pelotons, 1e, 2e en 3e peloton. In welk peloton ik zat weet ik niet meer. Tijdens de oefeningen zat ik als hospik in een Necaf jeep, achterin naast een radio. Voorin zat de pelotonscommandant, een dienstplichtige vaandrig, met een chauffeur die ook de radio moest bedienen. Zijn naam was Bennie Groen en kwam uit Twello. Als tweede wagen volgde een 1-tonner, Daf YA 126, met hierin een chauffeur (een Tilburger) met de sergeant 1e klas (beroeps).
Dan volgden nog 3x een DAF 314 met elk voorin een dienstplichtige sergeant en chauffeur. De sergeanten waren de groepscommandanten van de manschappen die in de achterbak zaten. Dat waren dus de mineurs, sappeurs, pontonniers etc. Elk peloton had een hospik. Ik kan me alleen nog herinneren dat naast mijn persoon er nog Ricky Stolk was als hospik. Of er nog meer waren, buiten die van het stafpeloton, weet ik niet meer.

In Seedorf had je een gigantisch theater waar elke avond een andere film speelde en op de zondagmiddag was er live-entertainment. Dit theater was tijdens mijn verblijf in Seedorf in aanbouw en in gebruik genomen. Met echte theaterstoelen. Voordat dit nieuwe theater werd geopend werden de films e.d. gedraaid in een grote loods. De filmrollen werden hier nog handmatig verwisseld terwijl in het nieuwe theater het automatisch ging zoals je gewend was van de bioscoop. Buiten de kazerne had je dan nog het KMT en PMT; een humanistisch MT was er toen nog niet.

Mutti Müller.

En vlak buiten de kazerne de onder de Seedorf militairen zeer bekende Mutti Müller. Als je er binnenkwam hing het vol met afgeknipte stropdassen van afgezwaaide militairen, ouwe stomp stokjes, foto’s en dergelijke. Elke week werden er in alle compagniesgebouwen de menulijsten van de eetzaal opgehangen op het publicatiebord en wist je precies wanneer je beter niet kon gaan eten in de eetzaal. Het ontbijt en de lunch waren altijd goed maar aan de warme maaltijd schortte het nog wel eens. Met die wetenschap toog je dan naar Multi Müller. ‘Pommes Frites mit Mayonaise und ein Schaslick’ en bier. Wat moet die Mutti Müller daar een geld verdiend hebben. Elke avond en in de weekenden zat het er vol.

In het KMT gingen we altijd met het hele koppel tafelvoetbalwedstrijden houden, biljarten, klaverjassen en dat soort dingen. Het KMT had in die tijd ook heerlijke sorbets.
Op de kamer waren we ook veel aan het kaarten. Klaverjassen, zwikken en toepen. Verslavende spelletjes om geld. Ik leerde hier toepen. We speelden om 20 Pfennig stukken. De eerste keer dat ik het speelde barstte ik van geluk en verdiende een aardig centje (pfenningjes). De volgende keren was het geluk wisselvalliger.

Achter v.l.n.r.: Ron Bleyenberg, Jan Prevos en ? uit Nijmegen. Voor: Heinz Verstappen en Michiels (alias Giebels).

Dit waren toch onze dagelijks bezigheden in onze vrije tijd. Computers, iPads, smartphones, XBoxen, PSP bestonden toen nog niet. In het leslokaal stond een zwart/wit tv met alleen maar Duitse zenders. Niemand keek ernaar behalve als er voetbal- of andere sportwedstrijd op was. Met oud en nieuw van 64/65 hadden we een feestavond in het leslokaal georganiseerd met live muziek (muzikanten uit onze eigen compagnie) bingo en veel bier en hapjes. Tot mijn grote verbazing won ik de hoofdprijs met de bingo, een Phillips Stereo pick-up. Een prachtige prijs alleen had ik geen stereo installatie om hem thuis aan te sluiten dus werd hij ingeplugd in de mono radio van mijn ouders. Later, na mijn diensttijd, kocht ik een Hapé stereo versterker van 2×2 watt met twee boxen.

Eten op de kamer

Op een gegeven moment kreeg iemand het idee om een elektrisch kookplaatje mee te nemen van huis. Hier werden dan veelvuldig blikjes soep, gebakken eitjes, knakworstjes e.d. warmgemaakt. Het was maar even en op alle kamers van de compagnie verscheen een elektrisch kookplaatje. Het duurde dan ook niet lang of de kazerneleiding verbood, i.v.m. het stroomverbruik, deze elektrische kookplaatjes. Maar geen nood we stapten gewoon over op campinggas kooktoestellen. Op elke kamer droeg iedereen financieel zijn steentje bij.

Dagelijkse bezigheden

Onze dagelijkse bezigheden waren meestal saai. De chauffeurs togen naar de garage om hun auto’s te onderhouden, de sappeurs, pontonniers en mineurs pleegden onderhoud aan hun uitrustingen en wij als hospikken verdwenen naar de bataljons hulppost, die was gevestigd in het gebouw van de Stafcompagnie, om de dokter (op toerbeurt) te assisteren. We waren met drie hospikken in onze compagnie. Twee gewondenverzorgers, Ricky Stolk uit Amsterdam en ik. Dat was een moordgozer. Dan was er nog een chauffeur gewondenverzorger, wiens naam ik vergeten ben, deze reed in een jeep met twee brancards erop. Deze gozer was minder sympathiek, hij was van lichting 63/6 en dacht omdat hij al langer in dienst zat, hij ook meer rechten had. Toen hij afzwaaide was niemand er rouwig om en er kwam ook niemand voor hem in de plaats, tenminste niet dat ik mij kan herinneren. Volgens mij waren Ricky en ik de toen nog de enige hospikken in de compagnie. Wie het nog weet mag het zeggen!

Naast saaie momenten ook veel lol!

Verder kreeg je uiteraard veel sport, elke week een veldloop rond de kazerne, gymnastiek, ongewapend gevecht etc. Naast de sport veel theorielessen (slaapverwekkend) krijgstucht, ABC oorlogsvoering. Tijdens een theorieles in biologische oorlogsvoering vroeg Luitenant Mohr aan de klas wat te doen als de Russen (het was immers ten tijde van de Koude Oorlog) zouden binnenvallen. Iemand riep spontaan “gympies aantrekken en snel richting Nederland rennen.” Een daverende lach ging door de klas. De Luit kon dit niet zo waarderen en de betreffende persoon kreeg een week licht arrest. Die Luit had geen gevoel voor humor. Soms lukte het ons als hospikken vervelende lessen of iets anders te ontlopen door te zeggen dat je naar de bataljons hulppost moest om oorproppen te draaien die nodig waren voor schietoefeningen.

Wat ik nog heel goed weet dat onze dokter (ook dienstplichtig) op de bataljons hulppost vaak dronken was tijdens het spreekuur. Na drie maanden werd hij dan ook ontslagen en kwam er een andere arts. Wij vonden het als hospikken heel jammer want we hadden bij die man een luizenleven, dat kun je wel begrijpen. We konden doen en laten wat we wilden, hij was toch meestal in de olie. Het gebeurde ook op het eind van onze diensttijd dat iedereen nog een afzwaai-cocktail-injectie moest hebben. Wij als hospikken moesten onze eigen compagnie deze toedienen. Het geval wil dat er iemand in de compagnie was die een broertje dood had aan een injectiespuit en had er alles voor over had om er onderuit te komen.

Een avond ervoor bezocht hij ons hospikken en maakten een deal met ons. Wanneer we hem de spuit niet toedienden hadden we de hele avond vrij drinken in de compagniesbar. De volgende dag toen hij zich meldde voor de spuit, spoot ik het vocht spontaan richting plafond en raakte hem dus totaal niet, een brede grijns van geluk verscheen op zijn gezicht. Hij bedankte me duizendmaal en in de bar die avond hadden de hospikken een klein feestje.

Naar het volgende deel: Actief buiten de kazernepoort

naar top↑

retour-hoofdstuk

Advertenties