Barpraat

Over hygiëne en de dag dat een grens werd overschreden

Het personeel van onze compagniesbar kan nooit worden verweten dat hygiëne naar het tweede plan werd geschoven. Met een toewijding die aan smetvrees doet denken, werd de ruimte dagelijks goed schoongehouden en meerdere keren per week aan groot corvee onderworpen. Dat moest ook wel! Enerzijds omdat er drank en etenswaar werd verstrekt, maar ook omdat we ons zoveel mogelijk probeerden te onttrekken aan diensten die buiten de bar plaatsvonden.

Als op het bord bij de trappenhal ‘hedenmiddag stormbaan’ was gekalkt, stonden de emmers met sop al klaar om over de barvloer uitgestort te worden. Voor ons was goed poetsen de equivalent van gezonde lichaamsbeweging. En laten we eerlijk zijn, of je nu de stormbaan beklimt of de vloer schuurt, het is beide inspannend werk.

Dan was er nóg een punt van aandacht: de bierleiding. Onder de tap was een groot koelelement geplaatst om ervoor te zorgen dat de pilsjes op de juiste temperatuur werden geserveerd. Dat element was via een leiding verbonden met het biervat dat in de voorraadkelder – onder de bar – was aangesloten. Voor het wisselen van een vat moesten we dus even naar beneden om de stroom op gang te houden.

Aangezien het bierrestant dat achterblijft de eigenschap heeft zich af te zetten tegen de binnenkant van de leiding, kregen we vanaf de eerste dag al het advies van onze mentor sergeant Kwaytaal om deze dagelijks met schoon water door te spoelen. Dat kostte een paar centen, want het buizenkanaal bevatte heel wat gerstenat dat aan het einde van de dag door het riool spoelde. En ook aan het begin van een nieuwe dienst ging de tapkraan vol open om het water uit de leiding te verwijderen. Daarbij gingen ook de nodige liters verloren. Maar het eindresultaat was wel dat we hoog scoorden op de inspectierapporten. Op onbepaalde tijden werd de tapinstallatie namelijk gekeurd op hygiëne. Dat gebeurde o.a. door kleine ronde sponsjes door de leiding te spuiten om de afzetting en eventueel aanwezige micro-organismen te verwijderen.

De administratie van 68/6

In een kastje onder de bar bevond zich een stapel schriften die we eigenlijk het grootste deel van het jaar genegeerd hebben. Toen het setje omstreeks november tevoorschijn werd gehaald bleek het te gaan om de administratie en het kasboek van onze voorgangers, de lichting 68/6.

In hun omzet waren we niet zo geïnteresseerd, in verkoopcijfers des te meer. Het enige houvast dat we hadden waren de inkopen. Wij waren gestart met een beginvoorraad, maar zij natuurlijk ook. Per saldo zou de betrouwbaarheid over zo’n lange periode dus redelijk in balans moeten zijn. Dus werd er fanatiek geteld, van rollen drop tot zakken chips. Zo werd ook ons inkoopboek tot in detail uitgespit en ontstond er uiteindelijk een indicatie over het eet- en drinkpatroon van de B. compagnie over het jaar 1970 (vanaf 13 maart). Altijd op zoek naar leuke wetenswaardigheden, besloot ik deze gegevens te publiceren in het decembernummer van onze compagnieskrant De Komma.

Het streefgetal

Al snel bleek de impact van dit artikel op de compagniegenoten. Er ontstond een competitiedrang om de bierverkoop van 68/6 (268 vaten) te overtreffen. Bij ons, 69/6, stond de teller op dat moment nog op 221 vaten; een verschil van 47 dus. Na de peildatum 14 december lag er nog een 4-daagse veldoefening in het verschiet, vrijwel direct gevolgd door het kerstverlof. Zou het ons gaan lukken om die grens van 268 op tijd te passeren voor de afzwaaidatum?

In de bar werd het een serieus gespreksthema; het hield de gemoederen behoorlijk bezig. Aangewakkerd door dit enthousiasme besloot ik een ‘countdown’ poster te maken waarop werd aangegeven hoeveel vaten we nog te gaan hadden. Telkens wanneer er een nieuwe fust werd aangesloten klonk er gejuich in de bar: wéér een stapje dichter bij het streefgetal!

De dorst werd behoorlijk gestild. Het ontaardde gelukkig nooit in slempartijen, hoewel het alcoholpromillage bij velen ongetwijfeld fors boven het toelaatbare uitkwam. Maar het bed stond op loopafstand en op de appèlplaats werd daags erna de wankele tred van sommigen kennelijk niet opgemerkt. En van blaaspijpjes had in die tijd nog niemand gehoord.

De grens bereikt… én overschreden!

Eind januari kwam in zicht, zo óók de wetenschap dat we deze ongeschreven competitie makkelijk zouden gaan winnen. Maar sneller dan verwacht, door een opmerkelijke gebeurtenis. Een compagniegenoot kwam op donderdagmiddag de bar binnengewandeld, nam een cola voor zichzelf en bestelde gelijk een heel vat bier.

Nog één vat te gaan…

Dat laatste stelde hij ter beschikking aan bezoekers die vanaf zaterdag de bar zouden betreden. Hij rekende af (ruim 300 Mark) en vertrok weer. Deze vrijgevigheid bleef natuurlijk niet onopgemerkt binnen de compagnie, en enkelen besloten dit voorbeeld te volgen.

Op zaterdag 30 januari 1971 stroomde het bier gratis uit de tap, aangezien dit immers al door een aantal weldoeners was betaald. Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje over het kazerneterrein en leverde daardoor heel wat nieuwe ‘klanten’ op. Nog diezelfde dag kwam vat nummer 268 aan de beurt…

Helaas bleef dit niet zonder gevolgen. De ongeremde bierconsumptie van sommigen ontaardde die avond tot grote overlast in eetzaal Noord. Bakjes hagelslag en ander broodbeleg vlogen als projectielen boven de hoofden van onschuldige eters. Als barbedienden hebben we onze verantwoordelijkheid die dag zwaar onderschat, hoewel we heimelijk toch wel trots waren op ‘de rel in de vreetschuur’.

De ‘countdown’ poster “268, NOG … vaten” werd aangepast in “268, PLUS … vaten”, maar moest enkele dagen daarna op last van de compagniescommandant worden verwijderd. Onder druk van hogere machten die deze ludieke actie niet konden waarderen.

Imagoproblemen

Dat mild gevalletje van alcoholoverlast verbleekt bij de berichten die zo’n 20 jaar later het nieuws haalden! Over drugssmokkel, dealen en zware verslaving.

Telegraaf 24/12/1991.

De Volkskrant kopte op 3 juli 1996: “Helft van soldaten op legerplaats Seedorf gebruikt hard drugs”. Verderop in het artikel: “Uit verhoren van de verdachten en vele getuigen kwam een weinig florissant beeld naar voren van de legerplaats Seedorf. Er zijn 2500 militairen van de 41ste Lichte Brigade gestationeerd. Een van de verdachten noemde Seedorf ‘de grootste coffeeshop die ik ken’. Ook De Groene Amsterdammer publiceerde uitgebreid over drugsmisbruik op de kazerne. Het verhaal van een dealer die zijn carrière bij het leger verspeelde… Dat artikel uit augustus 1996 kun je hier nog eens nalezen. En uit dezelfde editie het artikel ‘Goede buren’ dat je hier kunt vinden.

Het anders zo keurige imago van de legerplaats was beschadigd, maar wist zich in de jaren die volgden weer volledig te herstellen. Minder drugs of minder publiciteit? Wie het weet mag het zeggen…

Lees ook:

Werken in de bar
Verkoopcijfers BBC en bier top 10

naar top↑

retour-hoofdstuk

Advertenties