41 Pantsergeniecompagnie

Zware compagnie met veel deskundigheid

Een toevallige toeschouwer krijgt de indruk dat een grondverzetbedrijf bezig is met het uitvoeren van een grote klus: aarden wallen worden opgeworpen, tankgrachten gegraven, wegen door het bos worden verbreed en verbeterd, taluds worden aangelegd om de bomen te beschermen, het geluid van explosies klinkt, bruggen en mijnenvelden worden aangelegd. Legerkoerier is op bezoek bij 41 Pantsergeniecompagnie uit Seedorf. Commandant is majoor W.A. van Gilst.

De compagnie heeft dicht bij huis, de legerplaats Seedorf, vrijwel geen mogelijkheden om met de bouwmachines en de genietanks uitgebreid te oefenen. Door de uitstekende verstandhouding met eenheden van de Bundeswehr mag 41 Pantsergeniecompagnie (41 pagncie) een aantal keren per jaar gebruik maken van een stuk oefengebied in de omgeving van Lüneburg. Als tegenprestatie worden zo nodig geniewerkzaamheden verricht die echter uitstekend passen in het oefenprogramma van de compagnie. De mogelijkheden die dit stuk terrein bieden zijn voor de pantsergenisten ideaal, zij kunnen zich volledig uitleven. In die zin, dat alle facetten van deze compagnie op uitgebreide schaal kunnen worden beoefend. Dat moet ook wel, want de opdracht van de compagnie in oorlogstijd liegt er niet om.

De mijnen worden vanuit een rijdende M113 op vaste afstand van elkaar neergelegd.

Om het gevecht zo goed mogelijk te kunnen voeren, moet ten behoeve van de 41 Pantserbrigade het terrein geconditioneerd worden. Dat wil in grote lijnen zeggen het opwerpen of ruimen van hindernissen, het vernielen en/of het leggen van bruggen, het leggen of ruimen van mijnenvelden. De pantsergenisten moeten dit snel en indien mogelijk onder pantser en onder dekking van hun eigen boordwapens kunnen uitvoeren. Daar komt nog bij dat in tijd van oorlog de pantsergeniecompagnie niet als compagnie optreedt, maar in groeps- of pelotonsverband onder bevel wordt gesteld van een tank- of een pantserinfanteriebataljon.

De zelfstandige compagnie bestaat uit een compagniestaf, een ondersteuningspeloton en drie pantsergeniepelotons, met elkaar circa tweehonderd man. Mede door het grote aantal specialisten telt de compagnie acht officieren en dertig onderofficieren (waarvan vijf dienstplichtig). Aan materieel heeft de eenheid de beschikking over acht rupsvoertuigen M113, twee brugleggende tanks met twee reserve bruggen op eigen trekkers met oplegger, twee genietanks, twee wiellaadschoppen, drie tientonners, tien viertonners en vier Landrovers. Mede door het Duitslandverlof heeft de compagnie betrekkelijk weinig tijd om de dienstplichtigen goed voor hun taak op te leiden.

Wendisch Evern

Daarom zijn de tweeweekse oefeningen ‘Wendisch Evern’ in de omgeving van Lüneburg zo uitermate belangrijk. De eerste week worden in feite alle werkzaamheden schools uitgevoerd (doe het maar over, net zo lang tot het goed gaat), de tweede week mag het geleerde in de praktijk worden gebracht. Hiervoor is een echte oefening in elkaar gezet met bevelsuitgifte, troepen aanvoeringsprocedure, compleet met ‘algemene oorlogstoestand’ en ‘bijzondere oorlogstoestand’. Tijdens ‘Wendisch Evern’ is men gemiddeld zo’n zestig uur per week in touw. De zaterdagochtend wordt uitgetrokken voor het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden, de middag- en avonduren mag er (in burgerkleding) in het gezellige stadje Lüneburg worden gestapt. Op zondag wordt een sportdag gehouden waarbij het gaat om de prestaties per peloton. De wisselbeker wordt in de namiddag uitgereikt door de burgemeester van Wendisch. Om de lichamelijke conditie van de genisten enigszins op peil te houden, wordt weer of geen weer elke ochtend om 06.00 uur vanuit het bivak een veldloop gehouden.

Volgens kapitein K.J. Kuiper, plaatsvervangend compagniescommandant, heeft het houden van dit twee weken durende bivak veel voordelen: iedereen kan effectief worden ingezet en de onderlinge band na afloop is zichtbaar beter. Daarnaast wordt veel aandacht besteed aan de voorbereidingen voor de oefening. ‘Wie van de zes’, een wedstrijd tussen pantsergeniepelotons van de zes parate pantsergeniecompagnieën.

Mijnen

Snel en efficiënt wordt een mijnafsluiting gemaakt.

De compagnie verwacht binnen afzienbare tijd te kunnen beschikken over een mechanische mijnenlegger; tot die tijd zal het echter nog handwerk moeten blijven. Afhankelijk van de tactische situatie, het jaargetijde, het terrein en de beschikbare tijd, zullen de mijnen in een mijnenveld òp de grond of onder de grond worden neergelegd. Nadat de wijze van leggen van de mijnen is bepaald in het opgegeven gebied, worden volgens een bepaald patroon de mijnen vanuit een rijdende M113 neergelegd. De paar honderd aldus neergelegde mijnen moeten vervolgens ‘op scherp’ worden gesteld. De genist die met groot enthousiasme alle mijnen ‘op scherp’ zette, moet wel zeer gemotiveerd zijn om zich in de stromende regen een paar honderd keer te laten vallen en om te doen alsof hij een bepaalde handeling uitvoert. Hij mag dan nog van geluk spreken dat hij ze niet met de hand hoefde in te graven, zoals korporaal Coenen demonstreerde hoe dat volgens de regels der kunst moet…

Het maken van een zogenaamde mijnaansluiting, het leggen van zowel antipersoneel- als antitankmijnen volgens een door de groepscommandant bepaald patroon, in toegangswegen van bijvoorbeeld een boscomplex, vereist een zeer goed teamverband.

Sergeant R.C. Lanters, commandant A-groep van het 2e peloton, is met zijn groep duidelijk goed geoefend. Zeer snel en efficiënt wordt in korte tijd een mijnafsluiting gemaakt. Na het kiezen van een juiste positie van de M113, stijgen de mannen uit en gaan aan het werk; iedereen heeft een vaste taak en er wordt volgens een strikt schema gewerkt en binnen een mum van tijd is alleen het tape met daarop het bordje ‘mines’ zichtbaar (als je het niet weet zie je zelfs de struikeldraad die aan een mortiermijn zit niet). Na het maken van een ‘technisch mijnenveld rapport’ met schets, vertrekken ze weer naar het volgende bospad. Uit praktische overwegingen worden de plaatsen van de mijnen met wit tape gemarkeerd, anders kost het te veel tijd om de mijnen weer op te graven.

Genietank

Met de ‘mijnenprikkers’ wordt centimeter voor centimeter op explosieven gecontroleerd.

Het maken van een tankgracht met behulp van twee genietanks lijkt een voorbeeld van grof werk, maar ook dat vereist een grote mate van vakmanschap. Zeker bij duisternis en ’s nachts moet men goed op elkaar zijn afgestemd, maar volgens de dubbele tankbemanning lukt dat aardig. Dikwijls wordt hierbij ook de wiellaadschop gebruikt.

Niet alleen het maken van een tankgracht vereist kennis, het doorbreken van een vijandelijke tankgracht kost de nodige hoofdbrekens en geduld. Voordat de genietank volgens een bepaalde methode de tankgracht kan naderen, moet eerst gecontroleerd worden of het terrein wel vrij is van mijnen. Met grote concentratie en zorgvuldigheid en met behulp van oeroude mijnenprikkers wordt centimeter voor centimeter een stuk terrein ter breedte van de genietank op explosieven gecontroleerd. De aangetroffen mijnen worden vervolgens op afstand geëxplodeerd. Wanneer vervolgens de genietank aan het werk gaat, moet de chauffeur van de tank uitkijken dat zijn tracks er niet aflopen…

Bruglegger

Het leggen en weer oppakken van een brug met behulp van een brugleggende tank lijkt zo gemakkelijk, het vereist veel ervaring. Sergeant der eerste klasse R. Lelieveld, commandant van één van de brugleggende tanks, realiseert zich heel goed dat hij tijdens de oefeningen en demonstraties altijd de show steelt, terwijl er volgens hem veel te weinig waardering bestaat voor de mijnenprikkers. Soldaat H. Nijenhuis, sinds enige maanden chauffeur van dit wonderbaarlijke stuk techniek, vindt het nog elke keer geweldig wanneer de brug heel langzaam uitschuift en op de juiste plaats wordt neergelegd. De zéér ervaren chauffeurs leggen de brug in drie minuten…

De brugleggende tank steelt altijd de show.

Sergeant-majoor J. Hugens, sinds kort de sergeant-majoor opleidingen/operatiën, heeft het geluk dat hij een paar maanden samenloopt met zijn voorganger sergeant-majoor F. Versteeg, die na tien jaar Duitsland naar de staf NTC in Gouda gaat. De compagnie heeft sinds juli van dit jaar ook een nieuwe CSM, sergeant-majoor J.W. Den Besten, die overloopt van enthousiasme. Hij realiseert zich dat 41 Pagncie een zware compagnie is, maar alleen al de wijze waarop hij door zijn collega’s is opgevangen (de compagnie heeft het een tijd zonder CSM moeten doen) verhoogt zijn enthousiasme: “Ik houd van mensen.”

Veelzijdig

Het werken met de genietank vereist een grote mate van vakmanschap!

De grote diversiteit aan voertuigen, de vele specialistische gereedschappen zoals kettingzagen en buitenboordmotoren vereist nogal wat soepelheid van de onderhouds-groep. Sergeant-majoor W. de Bruyn heeft er met zijn mensen de handen vol aan. Zeker nu de functie van bouwmachinemonteur overgegaan is van een beroepsmonteur naar een dienstplichtige. Echt problemen heeft hij niet, alleen de papieren rompslomp wordt hem wel eens te veel. Over de technisch specialisten is hij zeer te spreken en hij is steeds weer blij wanneer er een monteur wil bijtekenen.

De sfeer binnen 41 Pantsergeniecompagnie is apart, misschien een beetje bouwvakkers sfeer van handen uit de mouwen steken en niet kletsen. Of, zoals een van de sergeanten-majoor het zegt: “veel deskundigheid, zelfstandigheid in optreden en misschien wat minder discipline.” Die deskundigheid en het zelfstandig optreden hebben de genisten hard nodig, want ze moeten veel steun verlenen aan andere oefeningen en zijn zelf deelnemer in alle brigadeoefeningen.

Met de grondboor in actie om een zgn. ‘kratering’ te maken.
  • Tekst: R.H.J. Bremer
  • Foto’s: J.H. Keeris
  • Bron: Legerkoerier (oktober 1986) Met dank aan Peter Jansen

naar top↑

retour-hoofdstuk

Advertenties